HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← mantelen — definition

Conjugation of mantelen

Regular CEFR B2
ˈmɑn.tə.lə(n)

to clothe with a coat or cloak Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik mantel
jij / je mantelt
hij / zij / het mantelt
wij / we mantelen
jullie mantelen
zij / ze mantelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik mantelde
jij / je mantelde
hij / zij / het mantelde
wij / we mantelden
jullie mantelden
zij / ze mantelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik mantele
jij / je mantele
hij / zij / het mantele
wij / we mantelen
jullie mantelen
zij / ze mantelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik mantelde
jij / je mantelde
hij / zij / het mantelde
wij / we mantelden
jullie mantelden
zij / ze mantelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij mantel
jullie (archaïsch) mantelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
mantelen
Tegenwoordig deelwoord
mantelend
Voltooid deelwoord
gemanteld

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary