Conjugation of machtigen
/ˈmɑxtəɣə(n)/aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | machtig |
| jij / je | machtigt |
| hij / zij / het | machtigt |
| wij / we | machtigen |
| jullie | machtigen |
| zij / ze | machtigen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | machtigde |
| jij / je | machtigde |
| hij / zij / het | machtigde |
| wij / we | machtigden |
| jullie | machtigden |
| zij / ze | machtigden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | machtige |
| jij / je | machtige |
| hij / zij / het | machtige |
| wij / we | machtigen |
| jullie | machtigen |
| zij / ze | machtigen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | machtigde |
| jij / je | machtigde |
| hij / zij / het | machtigde |
| wij / we | machtigden |
| jullie | machtigden |
| zij / ze | machtigden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | machtig |
| jullie (archaïsch) | machtigt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | machtigen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | machtigend |
Voltooid deelwoord
| — | gemachtigd |