HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← lepelen — definition

Conjugation of lepelen

Regular CEFR B1
ˈlɛ.pə.lə(n)

iets op een lepel nemen, iets als een lepel opnemen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik lepel
jij / je lepelt
hij / zij / het lepelt
wij / we lepelen
jullie lepelen
zij / ze lepelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik lepelde
jij / je lepelde
hij / zij / het lepelde
wij / we lepelden
jullie lepelden
zij / ze lepelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik lepele
jij / je lepele
hij / zij / het lepele
wij / we lepelen
jullie lepelen
zij / ze lepelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik lepelde
jij / je lepelde
hij / zij / het lepelde
wij / we lepelden
jullie lepelden
zij / ze lepelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij lepel
jullie (archaïsch) lepelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
lepelen
Tegenwoordig deelwoord
lepelend
Voltooid deelwoord
gelepeld

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary