HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← koren — definition

Conjugation of koren

Regular CEFR C2
ˈkoː.rə(n)

to be sick, to have a tendency to vomit; to vomit Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik koor
jij / je koort
hij / zij / het koort
wij / we koren
jullie koren
zij / ze koren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik koorde
jij / je koorde
hij / zij / het koorde
wij / we koorden
jullie koorden
zij / ze koorden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik kore
jij / je kore
hij / zij / het kore
wij / we koren
jullie koren
zij / ze koren
Aanvoegende wijs — verleden
ik koorde
jij / je koorde
hij / zij / het koorde
wij / we koorden
jullie koorden
zij / ze koorden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij koor
jullie (archaïsch) koort

Onbepaalde vormen

Infinitief
koren
Tegenwoordig deelwoord
korend
Voltooid deelwoord
gekoord

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary