HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← knutselen — definition

Conjugation of knutselen

Regular CEFR C2
ˈknʏt.sə.lə(n)

zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik knutsel
jij / je knutselt
hij / zij / het knutselt
wij / we knutselen
jullie knutselen
zij / ze knutselen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik knutselde
jij / je knutselde
hij / zij / het knutselde
wij / we knutselden
jullie knutselden
zij / ze knutselden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik knutsele
jij / je knutsele
hij / zij / het knutsele
wij / we knutselen
jullie knutselen
zij / ze knutselen
Aanvoegende wijs — verleden
ik knutselde
jij / je knutselde
hij / zij / het knutselde
wij / we knutselden
jullie knutselden
zij / ze knutselden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij knutsel
jullie (archaïsch) knutselt

Onbepaalde vormen

Infinitief
knutselen
Tegenwoordig deelwoord
knutselend
Voltooid deelwoord
geknutseld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary