HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← knielen — definition

Conjugation of knielen

Regular CEFR C2
ˈknilə(n)

op de knieën gaan Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik kniel
jij / je knielt
hij / zij / het knielt
wij / we knielen
jullie knielen
zij / ze knielen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik knielde
jij / je knielde
hij / zij / het knielde
wij / we knielden
jullie knielden
zij / ze knielden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik kniele
jij / je kniele
hij / zij / het kniele
wij / we knielen
jullie knielen
zij / ze knielen
Aanvoegende wijs — verleden
ik knielde
jij / je knielde
hij / zij / het knielde
wij / we knielden
jullie knielden
zij / ze knielden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij kniel
jullie (archaïsch) knielt

Onbepaalde vormen

Infinitief
knielen
Tegenwoordig deelwoord
knielend
Voltooid deelwoord
geknield

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary