HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← kamperen — definition

Conjugation of kamperen

Regular CEFR C1
kɑmˈpeː.rə(n)

in de buitenlucht verblijven met een tent Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik kampeer
jij / je kampeert
hij / zij / het kampeert
wij / we kamperen
jullie kamperen
zij / ze kamperen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik kampeerde
jij / je kampeerde
hij / zij / het kampeerde
wij / we kampeerden
jullie kampeerden
zij / ze kampeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik kampere
jij / je kampere
hij / zij / het kampere
wij / we kamperen
jullie kamperen
zij / ze kamperen
Aanvoegende wijs — verleden
ik kampeerde
jij / je kampeerde
hij / zij / het kampeerde
wij / we kampeerden
jullie kampeerden
zij / ze kampeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij kampeer
jullie (archaïsch) kampeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
kamperen
Tegenwoordig deelwoord
kamperend
Voltooid deelwoord
gekampeerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary