HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← jubelen — definition

Conjugation of jubelen

Regular CEFR B1
ˈjybələ(n)

juichen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik jubel
jij / je jubelt
hij / zij / het jubelt
wij / we jubelen
jullie jubelen
zij / ze jubelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik jubelde
jij / je jubelde
hij / zij / het jubelde
wij / we jubelden
jullie jubelden
zij / ze jubelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik jubele
jij / je jubele
hij / zij / het jubele
wij / we jubelen
jullie jubelen
zij / ze jubelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik jubelde
jij / je jubelde
hij / zij / het jubelde
wij / we jubelden
jullie jubelden
zij / ze jubelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij jubel
jullie (archaïsch) jubelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
jubelen
Tegenwoordig deelwoord
jubelend
Voltooid deelwoord
gejubeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary