HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← jassen — definition

Conjugation of jassen

Regular CEFR C2
ˈjɑ.sə(n)

[er]door(heen) ~: iets snel en tegelijk meestal slordig afwerken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik jas
jij / je jast
hij / zij / het jast
wij / we jassen
jullie jassen
zij / ze jassen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik jaste
jij / je jaste
hij / zij / het jaste
wij / we jasten
jullie jasten
zij / ze jasten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik jasse
jij / je jasse
hij / zij / het jasse
wij / we jassen
jullie jassen
zij / ze jassen
Aanvoegende wijs — verleden
ik jaste
jij / je jaste
hij / zij / het jaste
wij / we jasten
jullie jasten
zij / ze jasten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij jas
jullie (archaïsch) jast

Onbepaalde vormen

Infinitief
jassen
Tegenwoordig deelwoord
jassend
Voltooid deelwoord
gejast

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary