HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← instrueren — definición

Conjugation of instrueren

Regular CEFR C2
/ɪn.stryˈeː.rə(n)/

een vaardigheid onderwijzen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik instrueer
jij / je instrueert
hij / zij / het instrueert
wij / we instrueren
jullie instrueren
zij / ze instrueren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik instrueerde
jij / je instrueerde
hij / zij / het instrueerde
wij / we instrueerden
jullie instrueerden
zij / ze instrueerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik instruere
jij / je instruere
hij / zij / het instruere
wij / we instrueren
jullie instrueren
zij / ze instrueren
Aanvoegende wijs — verleden
ik instrueerde
jij / je instrueerde
hij / zij / het instrueerde
wij / we instrueerden
jullie instrueerden
zij / ze instrueerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij instrueer
jullie (archaïsch) instrueert

Onbepaalde vormen

Infinitief
instrueren
Tegenwoordig deelwoord
instruerend
Voltooid deelwoord
geïnstrueerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary