Conjugation of institutionaliseren
/ɪnstity(t)ʃoːnaːliˈzeːrə(n)/formeel regelen van iets; formaliseren van iets Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | institutionaliseer |
| jij / je | institutionaliseert |
| hij / zij / het | institutionaliseert |
| wij / we | institutionaliseren |
| jullie | institutionaliseren |
| zij / ze | institutionaliseren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | institutionaliseerde |
| jij / je | institutionaliseerde |
| hij / zij / het | institutionaliseerde |
| wij / we | institutionaliseerden |
| jullie | institutionaliseerden |
| zij / ze | institutionaliseerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | institutionalisere |
| jij / je | institutionalisere |
| hij / zij / het | institutionalisere |
| wij / we | institutionaliseren |
| jullie | institutionaliseren |
| zij / ze | institutionaliseren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | institutionaliseerde |
| jij / je | institutionaliseerde |
| hij / zij / het | institutionaliseerde |
| wij / we | institutionaliseerden |
| jullie | institutionaliseerden |
| zij / ze | institutionaliseerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | institutionaliseer |
| jullie (archaïsch) | institutionaliseert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | institutionaliseren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | institutionaliserend |
Voltooid deelwoord
| — | geïnstitutionaliseerd |