HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← inoculeren — definition

Conjugation of inoculeren

Regular CEFR B2
ɪnoːkyˈleːrə(n)

enten van bacteriën of schimmels op een voedingsbodem Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik inoculeer
jij / je inoculeert
hij / zij / het inoculeert
wij / we inoculeren
jullie inoculeren
zij / ze inoculeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik inoculeerde
jij / je inoculeerde
hij / zij / het inoculeerde
wij / we inoculeerden
jullie inoculeerden
zij / ze inoculeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik inoculere
jij / je inoculere
hij / zij / het inoculere
wij / we inoculeren
jullie inoculeren
zij / ze inoculeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik inoculeerde
jij / je inoculeerde
hij / zij / het inoculeerde
wij / we inoculeerden
jullie inoculeerden
zij / ze inoculeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij inoculeer
jullie (archaïsch) inoculeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
inoculeren
Tegenwoordig deelwoord
inoculerend
Voltooid deelwoord
geïnoculeerd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary