HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← immigreren — definición

Conjugation of immigreren

Regular CEFR B2
/ˌɪ.miˈɣreː.rə(n)/

een land binnenkomen om zich er metterwoon te vestigen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik immigreer
jij / je immigreert
hij / zij / het immigreert
wij / we immigreren
jullie immigreren
zij / ze immigreren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik immigreerde
jij / je immigreerde
hij / zij / het immigreerde
wij / we immigreerden
jullie immigreerden
zij / ze immigreerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik immigrere
jij / je immigrere
hij / zij / het immigrere
wij / we immigreren
jullie immigreren
zij / ze immigreren
Aanvoegende wijs — verleden
ik immigreerde
jij / je immigreerde
hij / zij / het immigreerde
wij / we immigreerden
jullie immigreerden
zij / ze immigreerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij immigreer
jullie (archaïsch) immigreert

Onbepaalde vormen

Infinitief
immigreren
Tegenwoordig deelwoord
immigrerend
Voltooid deelwoord
geïmmigreerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary