Conjugation of hospitaliseren
/ˌɦɔs.pi.taː.liˈzeː.rə(n)/zo gewend zijn geraakt aan de verzorging in een ziekenhuis dat men zich daarbuiten nauwelijks kan handhaven Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | hospitaliseer |
| jij / je | hospitaliseert |
| hij / zij / het | hospitaliseert |
| wij / we | hospitaliseren |
| jullie | hospitaliseren |
| zij / ze | hospitaliseren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | hospitaliseerde |
| jij / je | hospitaliseerde |
| hij / zij / het | hospitaliseerde |
| wij / we | hospitaliseerden |
| jullie | hospitaliseerden |
| zij / ze | hospitaliseerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | hospitalisere |
| jij / je | hospitalisere |
| hij / zij / het | hospitalisere |
| wij / we | hospitaliseren |
| jullie | hospitaliseren |
| zij / ze | hospitaliseren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | hospitaliseerde |
| jij / je | hospitaliseerde |
| hij / zij / het | hospitaliseerde |
| wij / we | hospitaliseerden |
| jullie | hospitaliseerden |
| zij / ze | hospitaliseerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | hospitaliseer |
| jullie (archaïsch) | hospitaliseert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | hospitaliseren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | hospitaliserend |
Voltooid deelwoord
| — | gehospitaliseerd |