Conjugation of hoofdrekenen
/ˈɦoːftˌreːkənə(n)/een rekensom uit je hoofd maken, zonder hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een rekenmachientje Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | hoofdreken |
| jij / je | hoofdrekent |
| hij / zij / het | hoofdrekent |
| wij / we | hoofdrekenen |
| jullie | hoofdrekenen |
| zij / ze | hoofdrekenen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | hoofdrekende |
| jij / je | hoofdrekende |
| hij / zij / het | hoofdrekende |
| wij / we | hoofdrekenden |
| jullie | hoofdrekenden |
| zij / ze | hoofdrekenden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | hoofdrekene |
| jij / je | hoofdrekene |
| hij / zij / het | hoofdrekene |
| wij / we | hoofdrekenen |
| jullie | hoofdrekenen |
| zij / ze | hoofdrekenen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | hoofdrekende |
| jij / je | hoofdrekende |
| hij / zij / het | hoofdrekende |
| wij / we | hoofdrekenden |
| jullie | hoofdrekenden |
| zij / ze | hoofdrekenden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | hoofdreken |
| jullie (archaïsch) | hoofdrekent |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | hoofdrekenen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | hoofdrekenend |
Voltooid deelwoord
| — | gehoofdrekend |