HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← hockeyen — definition

Conjugation of hockeyen

Regular CEFR B2
ˈɦɔ.ki.ə(n)

de hockeysport beoefenen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik hockey
jij / je hockeyt
hij / zij / het hockeyt
wij / we hockeyen
jullie hockeyen
zij / ze hockeyen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik hockeyde
jij / je hockeyde
hij / zij / het hockeyde
wij / we hockeyden
jullie hockeyden
zij / ze hockeyden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik hockeye
jij / je hockeye
hij / zij / het hockeye
wij / we hockeyen
jullie hockeyen
zij / ze hockeyen
Aanvoegende wijs — verleden
ik hockeyde
jij / je hockeyde
hij / zij / het hockeyde
wij / we hockeyden
jullie hockeyden
zij / ze hockeyden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij hockey
jullie (archaïsch) hockeyt

Onbepaalde vormen

Infinitief
hockeyen
Tegenwoordig deelwoord
hockeyend
Voltooid deelwoord
gehockeyd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary