HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← haperen — definition

Conjugation of haperen

Regular CEFR B1

stokken, niet vooruitgaan. Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik haper
jij / je hapert
hij / zij / het hapert
wij / we haperen
jullie haperen
zij / ze haperen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik haperde
jij / je haperde
hij / zij / het haperde
wij / we haperden
jullie haperden
zij / ze haperden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik hapere
jij / je hapere
hij / zij / het hapere
wij / we haperen
jullie haperen
zij / ze haperen
Aanvoegende wijs — verleden
ik haperde
jij / je haperde
hij / zij / het haperde
wij / we haperden
jullie haperden
zij / ze haperden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij haper
jullie (archaïsch) hapert

Onbepaalde vormen

Infinitief
haperen
Tegenwoordig deelwoord
haperend
Voltooid deelwoord
gehaperd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary