HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← handwerken — definición

Conjugation of handwerken

Regular CEFR B2
/ˈɦɑntˌʋɛr.kə(n)/

bezig zijn met een handwerkje Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik handwerk
jij / je handwerkt
hij / zij / het handwerkt
wij / we handwerken
jullie handwerken
zij / ze handwerken
Verleden tijd (o.v.t.)
ik handwerkte
jij / je handwerkte
hij / zij / het handwerkte
wij / we handwerkten
jullie handwerkten
zij / ze handwerkten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik handwerke
jij / je handwerke
hij / zij / het handwerke
wij / we handwerken
jullie handwerken
zij / ze handwerken
Aanvoegende wijs — verleden
ik handwerkte
jij / je handwerkte
hij / zij / het handwerkte
wij / we handwerkten
jullie handwerkten
zij / ze handwerkten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij handwerk
jullie (archaïsch) handwerkt

Onbepaalde vormen

Infinitief
handwerken
Tegenwoordig deelwoord
handwerkend
Voltooid deelwoord
gehandwerkt

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary