Conjugation of grondelen
ˈɣrɔn.də.lə(n)een manier van zich voeden met waterplanten op de bodem waarbij een watervogel zonder te duiken de kop onder water steekt en het achterlijf boven water blijft Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | grondel |
| jij / je | grondelt |
| hij / zij / het | grondelt |
| wij / we | grondelen |
| jullie | grondelen |
| zij / ze | grondelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | grondelde |
| jij / je | grondelde |
| hij / zij / het | grondelde |
| wij / we | grondelden |
| jullie | grondelden |
| zij / ze | grondelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | grondele |
| jij / je | grondele |
| hij / zij / het | grondele |
| wij / we | grondelen |
| jullie | grondelen |
| zij / ze | grondelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | grondelde |
| jij / je | grondelde |
| hij / zij / het | grondelde |
| wij / we | grondelden |
| jullie | grondelden |
| zij / ze | grondelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | grondel |
| jullie (archaïsch) | grondelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | grondelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | grondelend |
Voltooid deelwoord
| — | gegrondeld |
Practice in context
Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.