HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← grazen — definition

Conjugation of grazen

Regular CEFR B2
ˈɣraː.zə(n)

het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik graas
jij / je graast
hij / zij / het graast
wij / we grazen
jullie grazen
zij / ze grazen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik graasde
jij / je graasde
hij / zij / het graasde
wij / we graasden
jullie graasden
zij / ze graasden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik graze
jij / je graze
hij / zij / het graze
wij / we grazen
jullie grazen
zij / ze grazen
Aanvoegende wijs — verleden
ik graasde
jij / je graasde
hij / zij / het graasde
wij / we graasden
jullie graasden
zij / ze graasden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij graas
jullie (archaïsch) graast

Onbepaalde vormen

Infinitief
grazen
Tegenwoordig deelwoord
grazend
Voltooid deelwoord
gegraasd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary