HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← gijzelen — definition

Conjugation of gijzelen

Regular CEFR C2
ˈɣɛi̯.zə.lə(n)

iemand gevangen nemen om daarmee een losprijs te bedingen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik gijzel
jij / je gijzelt
hij / zij / het gijzelt
wij / we gijzelen
jullie gijzelen
zij / ze gijzelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik gijzelde
jij / je gijzelde
hij / zij / het gijzelde
wij / we gijzelden
jullie gijzelden
zij / ze gijzelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik gijzele
jij / je gijzele
hij / zij / het gijzele
wij / we gijzelen
jullie gijzelen
zij / ze gijzelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik gijzelde
jij / je gijzelde
hij / zij / het gijzelde
wij / we gijzelden
jullie gijzelden
zij / ze gijzelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij gijzel
jullie (archaïsch) gijzelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
gijzelen
Tegenwoordig deelwoord
gijzelend
Voltooid deelwoord
gegijzeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary