HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← genezen — definition

Conjugation of genezen

Regular CEFR B1
ɣəˈneːzə(n)

gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik genees
jij / je geneest
hij / zij / het geneest
wij / we genezen
jullie genezen
zij / ze genezen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik genas
jij / je genas
hij / zij / het genas
wij / we genazen
jullie genazen
zij / ze genazen

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik geneze
jij / je geneze
hij / zij / het geneze
wij / we genezen
jullie genezen
zij / ze genezen
Aanvoegende wijs — verleden
ik genaze
jij / je genaze
hij / zij / het genaze
wij / we genazen
jullie genazen
zij / ze genazen

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij genees
jullie (archaïsch) geneest

Onbepaalde vormen

Infinitief
genezen
Tegenwoordig deelwoord
genezend
Voltooid deelwoord
genezen

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary