Conjugation of functioneren
/fʏnk(t)sjoːˈneːrə(n)/in staat zijn de gebruikelijke taken te vervullen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | functioneer |
| jij / je | functioneert |
| hij / zij / het | functioneert |
| wij / we | functioneren |
| jullie | functioneren |
| zij / ze | functioneren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | functioneerde |
| jij / je | functioneerde |
| hij / zij / het | functioneerde |
| wij / we | functioneerden |
| jullie | functioneerden |
| zij / ze | functioneerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | functionere |
| jij / je | functionere |
| hij / zij / het | functionere |
| wij / we | functioneren |
| jullie | functioneren |
| zij / ze | functioneren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | functioneerde |
| jij / je | functioneerde |
| hij / zij / het | functioneerde |
| wij / we | functioneerden |
| jullie | functioneerden |
| zij / ze | functioneerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | functioneer |
| jullie (archaïsch) | functioneert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | functioneren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | functionerend |
Voltooid deelwoord
| — | gefunctioneerd |