Conjugation of fosforesceren
/fɔsfɔrɛˈseːrə(n)/langdurig licht afgeven na belichting door het bestaan van een langlevende aangeslagen toestand Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | fosforesceer |
| jij / je | fosforesceert |
| hij / zij / het | fosforesceert |
| wij / we | fosforesceren |
| jullie | fosforesceren |
| zij / ze | fosforesceren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | fosforesceerde |
| jij / je | fosforesceerde |
| hij / zij / het | fosforesceerde |
| wij / we | fosforesceerden |
| jullie | fosforesceerden |
| zij / ze | fosforesceerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | fosforescere |
| jij / je | fosforescere |
| hij / zij / het | fosforescere |
| wij / we | fosforesceren |
| jullie | fosforesceren |
| zij / ze | fosforesceren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | fosforesceerde |
| jij / je | fosforesceerde |
| hij / zij / het | fosforesceerde |
| wij / we | fosforesceerden |
| jullie | fosforesceerden |
| zij / ze | fosforesceerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | fosforesceer |
| jullie (archaïsch) | fosforesceert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | fosforesceren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | fosforescerend |
Voltooid deelwoord
| — | gefosforesceerd |