HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← fonkelen — definition

Conjugation of fonkelen

Regular CEFR B2
ˈfɔŋkələ(n)

lichtflitsjes afgeven, door weerkaatsing of het oplichten van vonken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik fonkel
jij / je fonkelt
hij / zij / het fonkelt
wij / we fonkelen
jullie fonkelen
zij / ze fonkelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik fonkelde
jij / je fonkelde
hij / zij / het fonkelde
wij / we fonkelden
jullie fonkelden
zij / ze fonkelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik fonkele
jij / je fonkele
hij / zij / het fonkele
wij / we fonkelen
jullie fonkelen
zij / ze fonkelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik fonkelde
jij / je fonkelde
hij / zij / het fonkelde
wij / we fonkelden
jullie fonkelden
zij / ze fonkelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij fonkel
jullie (archaïsch) fonkelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
fonkelen
Tegenwoordig deelwoord
fonkelend
Voltooid deelwoord
gefonkeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary