HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← fluctueren — definition

Conjugation of fluctueren

Regular CEFR B2
flʏk.tyˈeː.rə(n)

onregelmatig variëren (binnen bepaalde grenzen), schommelen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik fluctueer
jij / je fluctueert
hij / zij / het fluctueert
wij / we fluctueren
jullie fluctueren
zij / ze fluctueren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik fluctueerde
jij / je fluctueerde
hij / zij / het fluctueerde
wij / we fluctueerden
jullie fluctueerden
zij / ze fluctueerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik fluctuere
jij / je fluctuere
hij / zij / het fluctuere
wij / we fluctueren
jullie fluctueren
zij / ze fluctueren
Aanvoegende wijs — verleden
ik fluctueerde
jij / je fluctueerde
hij / zij / het fluctueerde
wij / we fluctueerden
jullie fluctueerden
zij / ze fluctueerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij fluctueer
jullie (archaïsch) fluctueert

Onbepaalde vormen

Infinitief
fluctueren
Tegenwoordig deelwoord
fluctuerend
Voltooid deelwoord
gefluctueerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary