HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← flansen — definition

Conjugation of flansen

Regular CEFR B1
ˈflɑn.sə(n)

slordig in elkaar zetten. Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik flans
jij / je flanst
hij / zij / het flanst
wij / we flansen
jullie flansen
zij / ze flansen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik flanste
jij / je flanste
hij / zij / het flanste
wij / we flansten
jullie flansten
zij / ze flansten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik flanse
jij / je flanse
hij / zij / het flanse
wij / we flansen
jullie flansen
zij / ze flansen
Aanvoegende wijs — verleden
ik flanste
jij / je flanste
hij / zij / het flanste
wij / we flansten
jullie flansten
zij / ze flansten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij flans
jullie (archaïsch) flanst

Onbepaalde vormen

Infinitief
flansen
Tegenwoordig deelwoord
flansend
Voltooid deelwoord
geflanst

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary