HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← flaneren — definición

Conjugation of flaneren

Regular CEFR B2
/flaːˈneːrə(n)/

rondwandelen om te zien en gezien te worden Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik flaneer
jij / je flaneert
hij / zij / het flaneert
wij / we flaneren
jullie flaneren
zij / ze flaneren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik flaneerde
jij / je flaneerde
hij / zij / het flaneerde
wij / we flaneerden
jullie flaneerden
zij / ze flaneerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik flanere
jij / je flanere
hij / zij / het flanere
wij / we flaneren
jullie flaneren
zij / ze flaneren
Aanvoegende wijs — verleden
ik flaneerde
jij / je flaneerde
hij / zij / het flaneerde
wij / we flaneerden
jullie flaneerden
zij / ze flaneerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij flaneer
jullie (archaïsch) flaneert

Onbepaalde vormen

Infinitief
flaneren
Tegenwoordig deelwoord
flanerend
Voltooid deelwoord
geflaneerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary