HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← finishen — definition

Conjugation of finishen

Regular CEFR B2
ˈfɪnɪʃə(n)

de eindstreep van een racewedstrijd passeren Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik finish
jij / je finisht
hij / zij / het finisht
wij / we finishen
jullie finishen
zij / ze finishen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik finishte
jij / je finishte
hij / zij / het finishte
wij / we finishten
jullie finishten
zij / ze finishten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik finishe
jij / je finishe
hij / zij / het finishe
wij / we finishen
jullie finishen
zij / ze finishen
Aanvoegende wijs — verleden
ik finishte
jij / je finishte
hij / zij / het finishte
wij / we finishten
jullie finishten
zij / ze finishten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij finish
jullie (archaïsch) finisht

Onbepaalde vormen

Infinitief
finishen
Tegenwoordig deelwoord
finishend
Voltooid deelwoord
gefinisht

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary