Conjugation of financieren
/finɑnˈsiːrə(n)/voorzien van de benodigde geldmiddelen. Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | financier |
| jij / je | financiert |
| hij / zij / het | financiert |
| wij / we | financieren |
| jullie | financieren |
| zij / ze | financieren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | financierde |
| jij / je | financierde |
| hij / zij / het | financierde |
| wij / we | financierden |
| jullie | financierden |
| zij / ze | financierden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | financiere |
| jij / je | financiere |
| hij / zij / het | financiere |
| wij / we | financieren |
| jullie | financieren |
| zij / ze | financieren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | financierde |
| jij / je | financierde |
| hij / zij / het | financierde |
| wij / we | financierden |
| jullie | financierden |
| zij / ze | financierden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | financier |
| jullie (archaïsch) | financiert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | financieren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | financierend |
Voltooid deelwoord
| — | gefinancierd |