HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← fietsen — definition

Conjugation of fietsen

Regular CEFR C1
ˈfitsə(n)

op een fiets rijden Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik fiets
jij / je fietst
hij / zij / het fietst
wij / we fietsen
jullie fietsen
zij / ze fietsen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik fietste
jij / je fietste
hij / zij / het fietste
wij / we fietsten
jullie fietsten
zij / ze fietsten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik fietse
jij / je fietse
hij / zij / het fietse
wij / we fietsen
jullie fietsen
zij / ze fietsen
Aanvoegende wijs — verleden
ik fietste
jij / je fietste
hij / zij / het fietste
wij / we fietsten
jullie fietsten
zij / ze fietsten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij fiets
jullie (archaïsch) fietst

Onbepaalde vormen

Infinitief
fietsen
Tegenwoordig deelwoord
fietsend
Voltooid deelwoord
gefietst

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary