HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← faseren — definition

Conjugation of faseren

Regular CEFR B1
faːˈzeːrə(n)

in fasen onderverdelen, spreiden Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik faseer
jij / je faseert
hij / zij / het faseert
wij / we faseren
jullie faseren
zij / ze faseren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik faseerde
jij / je faseerde
hij / zij / het faseerde
wij / we faseerden
jullie faseerden
zij / ze faseerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik fasere
jij / je fasere
hij / zij / het fasere
wij / we faseren
jullie faseren
zij / ze faseren
Aanvoegende wijs — verleden
ik faseerde
jij / je faseerde
hij / zij / het faseerde
wij / we faseerden
jullie faseerden
zij / ze faseerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij faseer
jullie (archaïsch) faseert

Onbepaalde vormen

Infinitief
faseren
Tegenwoordig deelwoord
faserend
Voltooid deelwoord
gefaseerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary