HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← falen — definition

Conjugation of falen

Regular CEFR B2
ˈfaːlə(n)

het doel dat men zich gesteld had niet bereiken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik faal
jij / je faalt
hij / zij / het faalt
wij / we falen
jullie falen
zij / ze falen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik faalde
jij / je faalde
hij / zij / het faalde
wij / we faalden
jullie faalden
zij / ze faalden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik fale
jij / je fale
hij / zij / het fale
wij / we falen
jullie falen
zij / ze falen
Aanvoegende wijs — verleden
ik faalde
jij / je faalde
hij / zij / het faalde
wij / we faalden
jullie faalden
zij / ze faalden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij faal
jullie (archaïsch) faalt

Onbepaalde vormen

Infinitief
falen
Tegenwoordig deelwoord
falend
Voltooid deelwoord
gefaald

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary