Conjugation of exposeren
/ˌɛkspoːˈzeːrə(n)/iets laten zien aan bezoekers van een expositie Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | exposeer |
| jij / je | exposeert |
| hij / zij / het | exposeert |
| wij / we | exposeren |
| jullie | exposeren |
| zij / ze | exposeren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | exposeerde |
| jij / je | exposeerde |
| hij / zij / het | exposeerde |
| wij / we | exposeerden |
| jullie | exposeerden |
| zij / ze | exposeerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | exposere |
| jij / je | exposere |
| hij / zij / het | exposere |
| wij / we | exposeren |
| jullie | exposeren |
| zij / ze | exposeren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | exposeerde |
| jij / je | exposeerde |
| hij / zij / het | exposeerde |
| wij / we | exposeerden |
| jullie | exposeerden |
| zij / ze | exposeerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | exposeer |
| jullie (archaïsch) | exposeert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | exposeren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | exposerend |
Voltooid deelwoord
| — | geëxposeerd |