Conjugation of exporteren
/ˌɛkspɔrˈteːrə(n)/uitvoeren van gegevens uit een informatiesysteem zodat ze geschikt zijn om in een ander informatiesysteem te worden geïmporteerd Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | exporteer |
| jij / je | exporteert |
| hij / zij / het | exporteert |
| wij / we | exporteren |
| jullie | exporteren |
| zij / ze | exporteren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | exporteerde |
| jij / je | exporteerde |
| hij / zij / het | exporteerde |
| wij / we | exporteerden |
| jullie | exporteerden |
| zij / ze | exporteerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | exportere |
| jij / je | exportere |
| hij / zij / het | exportere |
| wij / we | exporteren |
| jullie | exporteren |
| zij / ze | exporteren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | exporteerde |
| jij / je | exporteerde |
| hij / zij / het | exporteerde |
| wij / we | exporteerden |
| jullie | exporteerden |
| zij / ze | exporteerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | exporteer |
| jullie (archaïsch) | exporteert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | exporteren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | exporterend |
Voltooid deelwoord
| — | geëxporteerd |