HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← evangeliseren — definición

Conjugation of evangeliseren

Regular CEFR C1
/ˌeː.vɑŋ.ɣeː.liˈzeː.rə(n)/

het evangelie verkondigen aan of verbreiden onder Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik evangeliseer
jij / je evangeliseert
hij / zij / het evangeliseert
wij / we evangeliseren
jullie evangeliseren
zij / ze evangeliseren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik evangeliseerde
jij / je evangeliseerde
hij / zij / het evangeliseerde
wij / we evangeliseerden
jullie evangeliseerden
zij / ze evangeliseerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik evangelisere
jij / je evangelisere
hij / zij / het evangelisere
wij / we evangeliseren
jullie evangeliseren
zij / ze evangeliseren
Aanvoegende wijs — verleden
ik evangeliseerde
jij / je evangeliseerde
hij / zij / het evangeliseerde
wij / we evangeliseerden
jullie evangeliseerden
zij / ze evangeliseerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij evangeliseer
jullie (archaïsch) evangeliseert

Onbepaalde vormen

Infinitief
evangeliseren
Tegenwoordig deelwoord
evangeliserend
Voltooid deelwoord
geëvangeliseerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary