HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← evacueren — definición

Conjugation of evacueren

Regular CEFR C1
/ˌeː.vaː.kyˈeː.rə(n)/

het lichaam ledigen van ongewenste lichaamsproducten, d.i. uitpoepen, uitplassen, uitbraken e.d. Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik evacueer
jij / je evacueert
hij / zij / het evacueert
wij / we evacueren
jullie evacueren
zij / ze evacueren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik evacueerde
jij / je evacueerde
hij / zij / het evacueerde
wij / we evacueerden
jullie evacueerden
zij / ze evacueerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik evacuere
jij / je evacuere
hij / zij / het evacuere
wij / we evacueren
jullie evacueren
zij / ze evacueren
Aanvoegende wijs — verleden
ik evacueerde
jij / je evacueerde
hij / zij / het evacueerde
wij / we evacueerden
jullie evacueerden
zij / ze evacueerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij evacueer
jullie (archaïsch) evacueert

Onbepaalde vormen

Infinitief
evacueren
Tegenwoordig deelwoord
evacuerend
Voltooid deelwoord
geëvacueerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary