HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← dicteren — definition

Conjugation of dicteren

Regular CEFR C2
ˌdɪkˈteː.rə(n)

in een wedstrijd op de eerste plaats staan Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik dicteer
jij / je dicteert
hij / zij / het dicteert
wij / we dicteren
jullie dicteren
zij / ze dicteren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik dicteerde
jij / je dicteerde
hij / zij / het dicteerde
wij / we dicteerden
jullie dicteerden
zij / ze dicteerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik dictere
jij / je dictere
hij / zij / het dictere
wij / we dicteren
jullie dicteren
zij / ze dicteren
Aanvoegende wijs — verleden
ik dicteerde
jij / je dicteerde
hij / zij / het dicteerde
wij / we dicteerden
jullie dicteerden
zij / ze dicteerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij dicteer
jullie (archaïsch) dicteert

Onbepaalde vormen

Infinitief
dicteren
Tegenwoordig deelwoord
dicterend
Voltooid deelwoord
gedicteerd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary