Conjugation of diagnosticeren
/ˌdiaːɣnɔstiˈseːrə(n)/aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | diagnosticeer |
| jij / je | diagnosticeert |
| hij / zij / het | diagnosticeert |
| wij / we | diagnosticeren |
| jullie | diagnosticeren |
| zij / ze | diagnosticeren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | diagnosticeerde |
| jij / je | diagnosticeerde |
| hij / zij / het | diagnosticeerde |
| wij / we | diagnosticeerden |
| jullie | diagnosticeerden |
| zij / ze | diagnosticeerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | diagnosticere |
| jij / je | diagnosticere |
| hij / zij / het | diagnosticere |
| wij / we | diagnosticeren |
| jullie | diagnosticeren |
| zij / ze | diagnosticeren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | diagnosticeerde |
| jij / je | diagnosticeerde |
| hij / zij / het | diagnosticeerde |
| wij / we | diagnosticeerden |
| jullie | diagnosticeerden |
| zij / ze | diagnosticeerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | diagnosticeer |
| jullie (archaïsch) | diagnosticeert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | diagnosticeren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | diagnosticerend |
Voltooid deelwoord
| — | gediagnosticeerd |