HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← delegeren — definition

Conjugation of delegeren

Regular CEFR C2
ˌdeː.ləˈɣeː.rə(n)

je taak door iemand anders laten uitvoeren terwijl je zelf toch de eindverantwoordelijke blijft Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik delegeer
jij / je delegeert
hij / zij / het delegeert
wij / we delegeren
jullie delegeren
zij / ze delegeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik delegeerde
jij / je delegeerde
hij / zij / het delegeerde
wij / we delegeerden
jullie delegeerden
zij / ze delegeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik delegere
jij / je delegere
hij / zij / het delegere
wij / we delegeren
jullie delegeren
zij / ze delegeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik delegeerde
jij / je delegeerde
hij / zij / het delegeerde
wij / we delegeerden
jullie delegeerden
zij / ze delegeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij delegeer
jullie (archaïsch) delegeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
delegeren
Tegenwoordig deelwoord
delegerend
Voltooid deelwoord
gedelegeerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary