HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← dagen — definition

Conjugation of dagen

Regular CEFR A1
ˈdaːɣə(n)

dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik daag
jij / je daagt
hij / zij / het daagt
wij / we dagen
jullie dagen
zij / ze dagen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik daagde
jij / je daagde
hij / zij / het daagde
wij / we daagden
jullie daagden
zij / ze daagden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik dage
jij / je dage
hij / zij / het dage
wij / we dagen
jullie dagen
zij / ze dagen
Aanvoegende wijs — verleden
ik daagde
jij / je daagde
hij / zij / het daagde
wij / we daagden
jullie daagden
zij / ze daagden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij daag
jullie (archaïsch) daagt

Onbepaalde vormen

Infinitief
dagen
Tegenwoordig deelwoord
dagend
Voltooid deelwoord
gedaagd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary