HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← copuleren — definición

Conjugation of copuleren

Regular CEFR B2
/ˌkoː.pyˈleː.rə(n)/

geslachtsgemeenschap hebben Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik copuleer
jij / je copuleert
hij / zij / het copuleert
wij / we copuleren
jullie copuleren
zij / ze copuleren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik copuleerde
jij / je copuleerde
hij / zij / het copuleerde
wij / we copuleerden
jullie copuleerden
zij / ze copuleerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik copulere
jij / je copulere
hij / zij / het copulere
wij / we copuleren
jullie copuleren
zij / ze copuleren
Aanvoegende wijs — verleden
ik copuleerde
jij / je copuleerde
hij / zij / het copuleerde
wij / we copuleerden
jullie copuleerden
zij / ze copuleerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij copuleer
jullie (archaïsch) copuleert

Onbepaalde vormen

Infinitief
copuleren
Tegenwoordig deelwoord
copulerend
Voltooid deelwoord
gecopuleerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary