HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← conjugeren — definition

Conjugation of conjugeren

Regular CEFR B2
kɔnjyˈɣeːrə(n)

de vervoegde vormen van een werkwoord vormen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik conjugeer
jij / je conjugeert
hij / zij / het conjugeert
wij / we conjugeren
jullie conjugeren
zij / ze conjugeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik conjugeerde
jij / je conjugeerde
hij / zij / het conjugeerde
wij / we conjugeerden
jullie conjugeerden
zij / ze conjugeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik conjugere
jij / je conjugere
hij / zij / het conjugere
wij / we conjugeren
jullie conjugeren
zij / ze conjugeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik conjugeerde
jij / je conjugeerde
hij / zij / het conjugeerde
wij / we conjugeerden
jullie conjugeerden
zij / ze conjugeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij conjugeer
jullie (archaïsch) conjugeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
conjugeren
Tegenwoordig deelwoord
conjugerend
Voltooid deelwoord
geconjugeerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary