Conjugation of certificeren
/ˌsɛr.ti.fiˈseː.rə(n)/het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven) Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | certificeer |
| jij / je | certificeert |
| hij / zij / het | certificeert |
| wij / we | certificeren |
| jullie | certificeren |
| zij / ze | certificeren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | certificeerde |
| jij / je | certificeerde |
| hij / zij / het | certificeerde |
| wij / we | certificeerden |
| jullie | certificeerden |
| zij / ze | certificeerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | certificere |
| jij / je | certificere |
| hij / zij / het | certificere |
| wij / we | certificeren |
| jullie | certificeren |
| zij / ze | certificeren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | certificeerde |
| jij / je | certificeerde |
| hij / zij / het | certificeerde |
| wij / we | certificeerden |
| jullie | certificeerden |
| zij / ze | certificeerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | certificeer |
| jullie (archaïsch) | certificeert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | certificeren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | certificerend |
Voltooid deelwoord
| — | gecertificeerd |