HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← cederen — definición

Conjugation of cederen

Regular CEFR B1
/səˈdeːrə(n)/

afstaan, overdragen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik cedeer
jij / je cedeert
hij / zij / het cedeert
wij / we cederen
jullie cederen
zij / ze cederen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik cedeerde
jij / je cedeerde
hij / zij / het cedeerde
wij / we cedeerden
jullie cedeerden
zij / ze cedeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik cedere
jij / je cedere
hij / zij / het cedere
wij / we cederen
jullie cederen
zij / ze cederen
Aanvoegende wijs — verleden
ik cedeerde
jij / je cedeerde
hij / zij / het cedeerde
wij / we cedeerden
jullie cedeerden
zij / ze cedeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij cedeer
jullie (archaïsch) cedeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
cederen
Tegenwoordig deelwoord
cederend
Voltooid deelwoord
gecedeerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary