HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← carpoolen — definition

Conjugation of carpoolen

Regular CEFR C2
ˈkɑrˌpuːlə(n)

samen in één auto naar het werk rijden Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik carpool
jij / je carpoolt
hij / zij / het carpoolt
wij / we carpoolen
jullie carpoolen
zij / ze carpoolen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik carpoolde
jij / je carpoolde
hij / zij / het carpoolde
wij / we carpoolden
jullie carpoolden
zij / ze carpoolden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik carpoole
jij / je carpoole
hij / zij / het carpoole
wij / we carpoolen
jullie carpoolen
zij / ze carpoolen
Aanvoegende wijs — verleden
ik carpoolde
jij / je carpoolde
hij / zij / het carpoolde
wij / we carpoolden
jullie carpoolden
zij / ze carpoolden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij carpool
jullie (archaïsch) carpoolt

Onbepaalde vormen

Infinitief
carpoolen
Tegenwoordig deelwoord
carpoolend
Voltooid deelwoord
gecarpoold

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary