HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bundelen — definition

Conjugation of bundelen

Regular CEFR C2
ˈbʏndələ(n)

de krachten bundelen: door samen te werken sterker worden Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bundel
jij / je bundelt
hij / zij / het bundelt
wij / we bundelen
jullie bundelen
zij / ze bundelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik bundelde
jij / je bundelde
hij / zij / het bundelde
wij / we bundelden
jullie bundelden
zij / ze bundelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bundele
jij / je bundele
hij / zij / het bundele
wij / we bundelen
jullie bundelen
zij / ze bundelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik bundelde
jij / je bundelde
hij / zij / het bundelde
wij / we bundelden
jullie bundelden
zij / ze bundelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bundel
jullie (archaïsch) bundelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
bundelen
Tegenwoordig deelwoord
bundelend
Voltooid deelwoord
gebundeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary