Conjugation of brandmerken
/ˈbrɑntˌmɛr.kə(n)/stigmatiseren, in de openbaarheid iemand beschuldigen en veroordelen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | brandmerk |
| jij / je | brandmerkt |
| hij / zij / het | brandmerkt |
| wij / we | brandmerken |
| jullie | brandmerken |
| zij / ze | brandmerken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | brandmerkte |
| jij / je | brandmerkte |
| hij / zij / het | brandmerkte |
| wij / we | brandmerkten |
| jullie | brandmerkten |
| zij / ze | brandmerkten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | brandmerke |
| jij / je | brandmerke |
| hij / zij / het | brandmerke |
| wij / we | brandmerken |
| jullie | brandmerken |
| zij / ze | brandmerken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | brandmerkte |
| jij / je | brandmerkte |
| hij / zij / het | brandmerkte |
| wij / we | brandmerkten |
| jullie | brandmerkten |
| zij / ze | brandmerkten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | brandmerk |
| jullie (archaïsch) | brandmerkt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | brandmerken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | brandmerkend |
Voltooid deelwoord
| — | gebrandmerkt |