HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← boeren — definition

Conjugation of boeren

Regular CEFR B2
ˈbu.rə(n)

een vak uitoefenen en daar inkomsten mee verdienen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik boer
jij / je boert
hij / zij / het boert
wij / we boeren
jullie boeren
zij / ze boeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik boerde
jij / je boerde
hij / zij / het boerde
wij / we boerden
jullie boerden
zij / ze boerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik boere
jij / je boere
hij / zij / het boere
wij / we boeren
jullie boeren
zij / ze boeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik boerde
jij / je boerde
hij / zij / het boerde
wij / we boerden
jullie boerden
zij / ze boerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij boer
jullie (archaïsch) boert

Onbepaalde vormen

Infinitief
boeren
Tegenwoordig deelwoord
boerend
Voltooid deelwoord
geboerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary