HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← boemelen — definition

Conjugation of boemelen

Regular CEFR B2
ˈbumələ(n)

zijn tijd doorbrengen met uitgaan, brassen, slempen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik boemel
jij / je boemelt
hij / zij / het boemelt
wij / we boemelen
jullie boemelen
zij / ze boemelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik boemelde
jij / je boemelde
hij / zij / het boemelde
wij / we boemelden
jullie boemelden
zij / ze boemelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik boemele
jij / je boemele
hij / zij / het boemele
wij / we boemelen
jullie boemelen
zij / ze boemelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik boemelde
jij / je boemelde
hij / zij / het boemelde
wij / we boemelden
jullie boemelden
zij / ze boemelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij boemel
jullie (archaïsch) boemelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
boemelen
Tegenwoordig deelwoord
boemelend
Voltooid deelwoord
geboemeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary